DE OPRICHTING VAN DE SURINAAMSE HOUTMAATSCHAPPIJ N.V.

Nog tijdens de oorlog had de Bedrijfsgroep Houtindustrie in Nederland het verzoek gekregen om een rapport uit te brengen over de wijze waarop de houtinkoop reeds voor het einde van de oorlog moest worden voorbereid.

In het uitgebrachte rapport werd Suriname voorgesteld als werkgebied, maar er werd aan het rapport geen uitvoering gegeven. Willem Bruynzeel besloot toen om op eigen houtje naar Suriname te gaan, om daar de mogelijkheden na te gaan voor inkoop van hout en eventueel het vestigen van een eigen bedrijf. In januari en februari 1946 vertoefde de heer Bruynzeel in Suriname, waar hij, rondgeleid door o.a. de heer Hans Rodenhuis, zich zo breed mogelijk oriŽnteerde.

Met Gouverneur Brons sloot Bruynzeel een voorlopige overeenkomst voor exploitatie en eventuele verwerking van hout in Suriname.

Deze overeenkomst droeg een voorlopig karakter, omdat enerzijds de Gouverneur nog overleg moest plegen, terwiji anderzijds ook Bruynzeel nog de toepassingsmogelijkheden moest nagaan van het Surinaamse hout en financieringsregelingen moest zoeken. Deze overeenkomst hield onder meer in, dat aan Bruynzeel een concessie verleend zou worden ter grootte van 4.200.000 ha. Deze enorme concessie hield verband met de onbekendheid met de bos-opstanden, waardoor het risico erg groot was. Er vond een proefverscheping plaats van baboenhout naar Nederland, om daar de geschiktheid van dit hout te onderzoeken. Daarbij bleek dat baboen zich goed liet schillen en dus geschikt was voor de fabricage van triplex.

Ook werden in de Verenigde Staten de exportmogelijkheden onderzocht en werd de mogelijkheid nagegaan voor levering van machines en apparatuur voor de bosexploitatie.

HOME PAGE